Romance

Hij zag haar als eerst. Hoe kon het ook anders. Een vrouw als zij? – Hoe snel het leven kan veranderen. Het zijn maar een paar momenten op die krappe 100 jaar in een mensenleven die er uiteindelijk toe doen. Dit was er één van. Ze keek op door de glazen wand. Niet naar hem, maar door hem heen. Ze telefoneerde. Met zo’n professionele headset en een glimlach. “Smile when you dial!” Het credo dat hij nog kent uit zijn callcenter baantje schiet hem opeens te binnen en krijgt een heel nieuwe lading. God, wat kan zij glimlachen. En ze doet het de hele dag, ontdekte hij later. Zonder moeite, zonder pretentie. Alleen zij kon dat zo.

– Een duw tegen zijn schouder. “Hé maat, die dozen moeten naar boven, hè? Schiet eens op, de ochtend is alweer bijna om. Daar is de lift.” Ruwer kon hij niet gestoord worden. Wat een klote stageplek. Althans, tot vandaag. Tot… Haar. Suf kijkt hij zijn supervisor aan en knikt bijna onmerkbaar. Het hoort bij zijn houding. Sloom, chronisch lui en puberaal voorovergebogen in slungelmodus. Zijn blik niet van ongeïnteresseerd af te krijgen en zijn houding al net zo. Facility Management studeert hij. Hoewel, studeren. Hij volgt de studie. En nu stuurden ze hem op stage, dus volgt hij dat commando ook maar op. Zijn pa kende wel een plek, hij vond het best. Om 09:00 melden op maandagmorgen, de rest zou zich vanzelf wijzen. Nu doet hij niet veel anders dan karren met dozen voortduwen voor ‘de baas’. Oersaai. Nog 11 weken, dan is hij klaar. Kan hij weer sporadisch in de collegebanken hangen en met z’n vrienden afspreken. Hij weet niet hoe al die werkende mensen dat doen. De hele dag ben je bezig, en ‘s avonds ben je moe. Hoe moet je je vrienden dan nog zien; een leven hebben? Tot 15 minuten geleden kon hij niet wachten om z’n leven terug te krijgen. De weken aftellen was z’n belangrijkste bezigheid. Nu, terwijl de lift nadert, zou hij wensen dat het eindeloos was.

Hij moet haar spreken. Dat kan hij wel. Heel goed zelfs. Heeft hij van z’n vader. Maar tegen háár? Wat moet hij tegen haar zeggen? Met z’n neus naar de lift en de dozenkar naast hem denkt hij na. Er blijft maar niks in hem opkomen, als hij nog een tik van z’n supervisor krijgt. “Er wordt je wat gevraagd, maat.” Hij draait zich om en kijkt recht in haar ogen. Zachtaardig, omringd door lachrimpels, boren ze door hem heen. Ze moet iets gezegd hebben, maar hij hoort niets. Ziet alleen nog maar. ‘Knipperen. Knipperen moet ik. En dan praten. Maar wat zei ze?’

“Gaat het?”

“Ja, eh, hey, ik ben Melroy. De stagiair.”

“Dag Melroy, Lizette.” Een uitnodigende slanke hand komt zijn kant op. Dit is het. Indruk maken nu. Ferme handdruk, zelfverzekerde blik. Zoals je in de kroeg doet met die meiden. Toon je volwassenheid. – Niets meer dan een slappe zweterige puberhand drukt hij in de hare. Shit. – Dan weer die glimlach, en dan weer een por.

“Kom maat, we hebben niet de hele dag de tijd voor jouw gezwijmel. De ochtend is alweer bijna om en ik ruik mijn koffiepauze al. Aan ‘m. Hey Lizette, fijne dag.” Met een knik in haar richting sleurt hij hem aan z’n schouders weg van haar, zijn leven nooit meer hetzelfde achterlatend.